Vertaling van schrik
schrikkelijkheid
ontzetting {zn.}
opschrikken {ww.}
ik schrik op
jij schrikt op
hij/zij/het schrikt op
ik schrik
jij schrikt
hij/zij/het schrikt
» meer vervoegingen van schrikken
angst aanjagen
afschrikken {ww.}
ik schrik af
jij schrikt af
hij/zij/het schrikt af
ik schrik
jij schrikt
hij/zij/het schrikt
» meer vervoegingen van schrikken
angst
schrik
benauwdheid
beklemming
bangheid
angstgevoel {zn.}
ik schrik
jij schrikt
hij/zij/het schrikt
ik schrik
jij schrikt
hij/zij/het schrikt
» meer vervoegingen van schrikken
verschieten {ww.}
ik schrik
jij schrikt
hij/zij/het schrikt
ik schrik
jij schrikt
hij/zij/het schrikt
» meer vervoegingen van schrikken
Voorbeelden in zinsverband
Hij had schrik voor zijn vrouw.
Hij had schrik voor zijn vrouw.
Ik had schrik dat ik te laat was.
Ik had schrik dat ik te laat was.
Zeg haar dat ge haar graag ziet. Heb geen schrik. Ze zal u niet bijten.
Zeg haar dat ge haar graag ziet. Heb geen schrik. Ze zal u niet bijten.
Ik had schrik dat ik het genoegen niet zou hebben om je te ontmoeten.
Ik had schrik dat ik het genoegen niet zou hebben om je te ontmoeten.
Heb geen schrik om fouten te maken, als ge een taal leert.
Heb geen schrik om fouten te maken, als ge een taal leert.