Vertaling van slopen

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
slopen, neerhalen, afbreken {ww.}
slopen
neerhalen
afbreken {ww.}

ik breek af
jij breekt af
hij/zij/het breekt af

ik sloop
jij sloopt
hij/zij/het sloopt
» meer vervoegingen van slopen

verteren, verorberen, slopen, verbruiken, consumeren {ww.}
verteren
verorberen
slopen
verbruiken
consumeren {ww.}

ik consumeer
jij consumeert
hij/zij/het consumeert

ik verteer
jij verteert
hij/zij/het verteert
» meer vervoegingen van verteren

sluipen {ww.}
sluipen {ww.}

ik sloop
jij sloop
hij/zij/het sloop

ik sloop
jij sloop
hij/zij/het sloop
» meer vervoegingen van sluipen

sluipen {ww.}
sluipen {ww.}

ik sloop
jij sloop
hij/zij/het sloop

ik sloop
jij sloop
hij/zij/het sloop
» meer vervoegingen van sluipen

afbraak [v], ontmanteling [v], sloop (mv. slopen) {zn.}
afbraak [v]
ontmanteling [v]
sloop (mv. slopen) {zn.}
afbraak [v], slechting [v], sloop (mv. slopen) {zn.}
afbraak [v]
slechting [v]
sloop (mv. slopen) {zn.}
nekken, uitputten, slopen {ww.}
nekken
uitputten
slopen {ww.}

ik nek
jij nekt
hij/zij/het nekt

ik nek
jij nekt
hij/zij/het nekt
» meer vervoegingen van nekken

Giraffes hebben heel lange nekken.
Giraffes hebben heel lange nekken.
slechten, neerhalen, slopen, afbreken {ww.}
slechten
neerhalen
slopen
afbreken {ww.}

ik breek af
jij breekt af
hij/zij/het breekt af

ik slecht
jij slecht
hij/zij/het slecht
» meer vervoegingen van slechten

sluipen {ww.}
sluipen {ww.}

ik sloop
jij sloop
hij/zij/het sloop

ik sloop
jij sloop
hij/zij/het sloop
» meer vervoegingen van sluipen

sloop [m] (de/het ~), kussensloop [m] (de/het ~) {zn.}
sloop [m] (de/het ~)
kussensloop [m] (de/het ~) {zn.}
Ruim drieduizend mensen hebben hun handtekening gezet om de sloop van dit historische pand tegen te houden.
Ruim drieduizend mensen hebben hun handtekening gezet om de sloop van dit historische pand tegen te houden.
sloopbedrijf, slopersbedrijf, sloop (mv. slopen) [m] (de ~) {zn.}
sloopbedrijf
slopersbedrijf
sloop (mv. slopen) [m] (de ~) {zn.}
afbraak [m] (de ~), sloop (mv. slopen) [m] (de ~) {zn.}
afbraak [m] (de ~)
sloop (mv. slopen) [m] (de ~) {zn.}