Vertaling van trippelen
Inhoud:
Nederlands
Nederlands
trippelen, dribbelen {ww.}
trippelen
dribbelen {ww.}
dribbelen {ww.}
ik dribbel
jij dribbelt
hij/zij/het dribbelt
ik trippel
jij trippelt
hij/zij/het trippelt
» meer vervoegingen van trippelen
trippelen {ww.}
trippelen {ww.}
ik trippel
jij trippelt
hij/zij/het trippelt
ik trippel
jij trippelt
hij/zij/het trippelt
» meer vervoegingen van trippelen
tippelen, trippen, trippelen {ww.}
tippelen
trippen
trippelen {ww.}
trippen
trippelen {ww.}
ik tippel
jij tippelt
hij/zij/het tippelt
ik tippel
jij tippelt
hij/zij/het tippelt
» meer vervoegingen van tippelen