Vertaling van wennen
Inhoud:
Nederlands
Nederlands
zich schikken, gewennen, zich aanpassen, wennen {ww.}
zich schikken
gewennen
zich aanpassen
wennen {ww.}
gewennen
zich aanpassen
wennen {ww.}
ik gewen
jij gewent
hij/zij/het gewent
ik gewen
jij gewent
hij/zij/het gewent
» meer vervoegingen van gewennen
zich schikken, acclimatiseren, zich aanpassen, wennen {ww.}
zich schikken
acclimatiseren
zich aanpassen
wennen {ww.}
acclimatiseren
zich aanpassen
wennen {ww.}
ik acclimatiseer
jij acclimatiseert
hij/zij/het acclimatiseert
ik acclimatiseer
jij acclimatiseert
hij/zij/het acclimatiseert
» meer vervoegingen van acclimatiseren
aanwennen, gewoon maken, wennen {ww.}
aanwennen
gewoon maken
wennen {ww.}
gewoon maken
wennen {ww.}
ik wen aan
jij went aan
hij/zij/het went aan
ik wen aan
jij went aan
hij/zij/het went aan
» meer vervoegingen van aanwennen
gewend raken, wennen, aarden {ww.}
gewend raken
wennen
aarden {ww.}
wennen
aarden {ww.}
ik aard
jij aardt
hij/zij/het aardt
ik wen
jij went
hij/zij/het went
» meer vervoegingen van wennen
gewennen, wennen {ww.}
gewennen
wennen {ww.}
wennen {ww.}
ik gewen
jij gewent
hij/zij/het gewent
ik gewen
jij gewent
hij/zij/het gewent
» meer vervoegingen van gewennen