Vertaling van zojuist
Inhoud:
Nederlands
Nederlands
juist, net, pas, straks, zojuist, zoëven, daarnet, daarstraks, zonet {bw.}
juist
net
pas
straks
zojuist
zoëven
daarnet
daarstraks
zonet {bw.}
net
pas
straks
zojuist
zoëven
daarnet
daarstraks
zonet {bw.}
Voorbeelden in zinsverband
Nederlands
Nederlands
Hij was zojuist gearriveerd.
Hij was zojuist gearriveerd.
Ze zijn zojuist aangekomen.
Ze zijn zojuist aangekomen.
Ik heb zojuist ontbeten.
Ik heb zojuist ontbeten.
Ik heb zojuist geluncht.
Ik heb zojuist geluncht.
Ik heb zojuist mijn huiswerk afgemaakt.
Ik heb zojuist mijn huiswerk afgemaakt.
Ik heb zojuist uw brief ontvangen.
Ik heb zojuist uw brief ontvangen.
Ik heb zojuist mijn paspoort verlengd, dus ik kan er weer tien jaar mee verder.
Ik heb zojuist mijn paspoort verlengd, dus ik kan er weer tien jaar mee verder.