Vertaling van zweet

Inhoud:

Nederlands
Nederlands
zweet {zn.}
zweet {zn.}
Meestal zweet ik niet zo.
Meestal zweet ik niet zo.
Een waterval van zweet stroomde naar beneden over mijn gezicht.
Een waterval van zweet stroomde naar beneden over mijn gezicht.
zweet [o] (het ~), transpiratie {zn.}
zweet [o] (het ~)
transpiratie {zn.}
Hij veegde het zweet van zijn gezicht af.
Hij veegde het zweet van zijn gezicht af.
nat worden, zweten, een nat pak krijgen {ww.}
nat worden
zweten
een nat pak krijgen {ww.}

ik zweet
jij zweet
hij/zij/het zweet

ik zweet
jij zweet
hij/zij/het zweet
» meer vervoegingen van zweten

zweten, transpireren {ww.}
zweten
transpireren {ww.}

ik transpireer
jij transpireert
hij/zij/het transpireert

ik zweet
jij zweet
hij/zij/het zweet
» meer vervoegingen van zweten

bloed [o] (het ~), zweet [o] (het ~) {zn.}
bloed [o] (het ~)
zweet [o] (het ~) {zn.}
Het is geen bloed. Het is biet.
Het is geen bloed. Het is biet.
Hij is een man van nobel bloed.
Hij is een man van nobel bloed.
nat [o] (het ~), zweet [o] (het ~), vocht [o] (het ~), nattigheid {zn.}
nat [o] (het ~)
zweet [o] (het ~)
vocht [o] (het ~)
nattigheid {zn.}
Mijn broek is nat.
Mijn broek is nat.
Gelukkig werd niemand nat.
Gelukkig werd niemand nat.
transpireren, zweten, bezweten {ww.}
transpireren
zweten
bezweten {ww.}

ik transpireer
jij transpireert
hij/zij/het transpireert

ik transpireer
jij transpireert
hij/zij/het transpireert
» meer vervoegingen van transpireren

zweten {ww.}
zweten {ww.}

ik zweet
jij zweet
hij/zij/het zweet

ik zweet
jij zweet
hij/zij/het zweet
» meer vervoegingen van zweten



Voorbeelden in zinsverband

Nederlands
Nederlands

Meestal zweet ik niet zo.

Meestal zweet ik niet zo.

Een waterval van zweet stroomde naar beneden over mijn gezicht.

Een waterval van zweet stroomde naar beneden over mijn gezicht.

Hij veegde het zweet van zijn gezicht af.

Hij veegde het zweet van zijn gezicht af.