Vervoeging van afschrijven

Onbepaalde wijs (infinitief): afschrijven


  • Onvoltooid tegenwoordige tijd

    • ik schrijf af
    • jij schrijft af
    • hij/zij/het schrijft af
    • wij schrijven af
    • jullie schrijven af
    • zij schrijven af
  • Onvoltooid verleden tijd

    • ik schreef af
    • jij schreef af
    • hij/zij/het schreef af
    • wij schreven af
    • jullie schreven af
    • zij schreven af
  • Voltooid tegenwoordige tijd

    • ik heb afgeschreven
    • jij hebt afgeschreven
    • hij/zij/het heeft afgeschreven
    • wij hebben afgeschreven
    • jullie hebben afgeschreven
    • zij hebben afgeschreven
  • Voltooid verleden tijd

    • ik had afgeschreven
    • jij had afgeschreven
    • hij/zij/het had afgeschreven
    • wij hadden afgeschreven
    • jullie hadden afgeschreven
    • zij hadden afgeschreven
  • Toekomende tijd I

    • ik zal afschrijven
    • jij zult afschrijven
    • hij/zij/het zal afschrijven
    • wij zullen afschrijven
    • jullie zullen afschrijven
    • zij zullen afschrijven
  • Toekomende tijd II

    • ik zal afgeschreven hebben
    • jij zult afgeschreven hebben
    • hij/zij/het zal afgeschreven hebben
    • wij zullen afgeschreven hebben
    • jullie zullen afgeschreven hebben
    • zij zullen afgeschreven hebben
  • Conditionalis I

    • ik zou afschrijven
    • jij zou afschrijven
    • hij/zij/het zou afschrijven
    • wij zouden afschrijven
    • jullie zouden afschrijven
    • zij zouden afschrijven
  • Conditionalis II

    • ik zou hebben afgeschreven
    • jij zou hebben afgeschreven
    • hij/zij/het zou hebben afgeschreven
    • wij zouden hebben afgeschreven
    • jullie zouden hebben afgeschreven
    • zij zouden hebben afgeschreven
  • Imperatief

    • jij schrijf af
    • jullie schrijft af

Verwijzingen

Bekijk 7 definitie(s) van afschrijven