Vervoeging van advance

Engels

Nederlands

Present

  • I advance
  • you advance
  • he/she/it advances
  • we advance
  • you advance
  • they advance

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik fluister in
  • jij fluistert in
  • hij/zij/het fluistert in
  • wij fluisteren in
  • jullie fluisteren in
  • zij fluisteren in

Simple past

  • I advanced
  • you advanced
  • he/she/it advanced
  • we advanced
  • you advanced
  • they advanced

Onvoltooid verleden tijd

  • ik fluisterde in
  • jij fluisterde in
  • hij/zij/het fluisterde in
  • wij fluisterden in
  • jullie fluisterden in
  • zij fluisterden in

Present perfect

  • I have advanced
  • you have advanced
  • he/she/it has advanced
  • we have advanced
  • you have advanced
  • they have advanced

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik heb ingefluisterd
  • jij hebt ingefluisterd
  • hij/zij/het heeft ingefluisterd
  • wij hebben ingefluisterd
  • jullie hebben ingefluisterd
  • zij hebben ingefluisterd

Past perfect

  • I had advanced
  • you had advanced
  • he/she/it had advanced
  • we had advanced
  • you had advanced
  • they had advanced

Voltooid verleden tijd

  • ik had ingefluisterd
  • jij had ingefluisterd
  • hij/zij/het had ingefluisterd
  • wij hadden ingefluisterd
  • jullie hadden ingefluisterd
  • zij hadden ingefluisterd

Future

  • I will advance
  • you will advance
  • he/she/it will advance
  • we will advance
  • you will advance
  • they will advance

Toekomende tijd I

  • ik zal influisteren
  • jij zult influisteren
  • hij/zij/het zal influisteren
  • wij zullen influisteren
  • jullie zullen influisteren
  • zij zullen influisteren

Future perfect

  • I will have advanced
  • you will have advanced
  • he/she/it will have advanced
  • we will have advanced
  • you will have advanced
  • they will have advanced

Toekomende tijd II

  • ik zal ingefluisterd hebben
  • jij zult ingefluisterd hebben
  • hij/zij/het zal ingefluisterd hebben
  • wij zullen ingefluisterd hebben
  • jullie zullen ingefluisterd hebben
  • zij zullen ingefluisterd hebben

Conditional present

  • I would advance
  • you would advance
  • he/she/it would advance
  • we would advance
  • you would advance
  • they would advance

Conditionalis I

  • ik zou influisteren
  • jij zou influisteren
  • hij/zij/het zou influisteren
  • wij zouden influisteren
  • jullie zouden influisteren
  • zij zouden influisteren

Conditional perfect

  • I would have advanced
  • you would have advanced
  • he/she/it would have advanced
  • we would have advanced
  • you would have advanced
  • they would have advanced

Conditionalis II

  • ik zou hebben ingefluisterd
  • jij zou hebben ingefluisterd
  • hij/zij/het zou hebben ingefluisterd
  • wij zouden hebben ingefluisterd
  • jullie zouden hebben ingefluisterd
  • zij zouden hebben ingefluisterd

Imperative

  • you advance
  • you advance

Imperatief

  • jij fluister in
  • jullie fluistert in

Verwijzingen

Bekijk 21 definitie(s) van advance