Vervoeging van afstaan


Nederlands

Engels

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik sta af
  • jij staat af
  • hij/zij/het staat af
  • wij staan af
  • jullie staan af
  • zij staan af

Present

  • I present
  • you present
  • he/she/it presents
  • we present
  • you present
  • they present

Onvoltooid verleden tijd

  • ik stond af
  • jij stond af
  • hij/zij/het stond af
  • wij stonden af
  • jullie stonden af
  • zij stonden af

Simple past

  • I presented
  • you presented
  • he/she/it presented
  • we presented
  • you presented
  • they presented

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik heb afgestaan
  • jij hebt afgestaan
  • hij/zij/het heeft afgestaan
  • wij hebben afgestaan
  • jullie hebben afgestaan
  • zij hebben afgestaan

Present perfect

  • I have presented
  • you have presented
  • he/she/it has presented
  • we have presented
  • you have presented
  • they have presented

Voltooid verleden tijd

  • ik had afgestaan
  • jij had afgestaan
  • hij/zij/het had afgestaan
  • wij hadden afgestaan
  • jullie hadden afgestaan
  • zij hadden afgestaan

Past perfect

  • I had presented
  • you had presented
  • he/she/it had presented
  • we had presented
  • you had presented
  • they had presented

Toekomende tijd I

  • ik zal afstaan
  • jij zult afstaan
  • hij/zij/het zal afstaan
  • wij zullen afstaan
  • jullie zullen afstaan
  • zij zullen afstaan

Future

  • I will present
  • you will present
  • he/she/it will present
  • we will present
  • you will present
  • they will present

Toekomende tijd II

  • ik zal afgestaan hebben
  • jij zult afgestaan hebben
  • hij/zij/het zal afgestaan hebben
  • wij zullen afgestaan hebben
  • jullie zullen afgestaan hebben
  • zij zullen afgestaan hebben

Future perfect

  • I will have presented
  • you will have presented
  • he/she/it will have presented
  • we will have presented
  • you will have presented
  • they will have presented

Conditionalis I

  • ik zou afstaan
  • jij zou afstaan
  • hij/zij/het zou afstaan
  • wij zouden afstaan
  • jullie zouden afstaan
  • zij zouden afstaan

Conditional present

  • I would present
  • you would present
  • he/she/it would present
  • we would present
  • you would present
  • they would present

Conditionalis II

  • ik zou hebben afgestaan
  • jij zou hebben afgestaan
  • hij/zij/het zou hebben afgestaan
  • wij zouden hebben afgestaan
  • jullie zouden hebben afgestaan
  • zij zouden hebben afgestaan

Conditional perfect

  • I would have presented
  • you would have presented
  • he/she/it would have presented
  • we would have presented
  • you would have presented
  • they would have presented

Imperatief

  • jij sta af
  • jullie staat af

Imperative

  • you present
  • you present

Verwijzingen

Bekijk 1 definitie(s) van afstaan