Vervoeging van slaan


Nederlands

Duits

Onvoltooid tegenwoordige tijd

  • ik sla
  • jij slaat
  • hij/zij/het slaat
  • wij slaan
  • jullie slaan
  • zij slaan

Präsens Indikativ

  • ich suche heim
  • du suchst heim
  • er/sie/es sucht heim
  • wir suchen heim
  • ihr sucht heim
  • sie suchen heim

Onvoltooid verleden tijd

  • ik sloeg
  • jij sloeg
  • hij/zij/het sloeg
  • wij sloegen
  • jullie sloegen
  • zij sloegen

Präteritum Indikativ

  • ich suchte heim
  • du suchtest heim
  • er/sie/es suchte heim
  • wir suchten heim
  • ihr suchtet heim
  • sie suchten heim

Voltooid tegenwoordige tijd

  • ik heb geslagen
  • jij hebt geslagen
  • hij/zij/het heeft geslagen
  • wij hebben geslagen
  • jullie hebben geslagen
  • zij hebben geslagen

Perfekt Indikativ

  • ich habe heimgesucht
  • du hast heimgesucht
  • er/sie/es hat heimgesucht
  • wir haben heimgesucht
  • ihr habt heimgesucht
  • sie haben heimgesucht

Voltooid verleden tijd

  • ik had geslagen
  • jij had geslagen
  • hij/zij/het had geslagen
  • wij hadden geslagen
  • jullie hadden geslagen
  • zij hadden geslagen

Plusquamperfekt Indikativ

  • ich hatte heimgesucht
  • du hattest heimgesucht
  • er/sie/es hatte heimgesucht
  • wir hatten heimgesucht
  • ihr hattet heimgesucht
  • sie hatten heimgesucht

Toekomende tijd I

  • ik zal slaan
  • jij zult slaan
  • hij/zij/het zal slaan
  • wij zullen slaan
  • jullie zullen slaan
  • zij zullen slaan

Futur I Indikativ

  • ich werde heimsuchen
  • du wirst heimsuchen
  • er/sie/es wird heimsuchen
  • wir werden heimsuchen
  • ihr werdet heimsuchen
  • sie werden heimsuchen

Toekomende tijd II

  • ik zal geslagen hebben
  • jij zult geslagen hebben
  • hij/zij/het zal geslagen hebben
  • wij zullen geslagen hebben
  • jullie zullen geslagen hebben
  • zij zullen geslagen hebben

Futur II Indikativ

  • ich werde heimgesucht haben
  • du wirst heimgesucht haben
  • er/sie/es wird heimgesucht haben
  • wir werden heimgesucht haben
  • ihr werdet heimgesucht haben
  • sie werden heimgesucht haben

Conditionalis I

  • ik zou slaan
  • jij zou slaan
  • hij/zij/het zou slaan
  • wij zouden slaan
  • jullie zouden slaan
  • zij zouden slaan

Futur I Konjunktiv II

  • ich würde heimsuchen
  • du würdest heimsuchen
  • er/sie/es würde heimsuchen
  • wir würden heimsuchen
  • ihr würdet heimsuchen
  • sie würden heimsuchen

Conditionalis II

  • ik zou hebben geslagen
  • jij zou hebben geslagen
  • hij/zij/het zou hebben geslagen
  • wij zouden hebben geslagen
  • jullie zouden hebben geslagen
  • zij zouden hebben geslagen

Futur II Konjunktiv II

  • ich würde heimgesucht haben
  • du würdest heimgesucht haben
  • er/sie/es würde heimgesucht haben
  • wir würden heimgesucht haben
  • ihr würdet heimgesucht haben
  • sie würden heimgesucht haben

Imperatief

  • jij sla
  • jullie slaat

Imperativ

  • du such(e) heim
  • ihr sucht heim

Verwijzingen

Bekijk 7 definitie(s) van slaan