Vertaling van fear
vrees
duchten
I fear
you fear
we fear
ik vrees
jij vreest
wij vrezen
» meer vervoegingen van vrezen
I fear
you fear
we fear
ik vereer
jij vereert
wij vereren
» meer vervoegingen van vereren
terugschrikken voor
duchten
schromen
bang zijn voor
I fear
you fear
we fear
ik vrees
jij vreest
wij vrezen
» meer vervoegingen van vrezen
I fear
you fear
we fear
ik eer
jij eert
wij eren
» meer vervoegingen van eren
I fear
you fear
we fear
ik vrees
jij vreest
wij vrezen
» meer vervoegingen van vrezen
zorg
beduchtheid
vrees
schrik
benauwdheid
beklemming
bangheid
angstgevoel
schrikken
I fear
you fear
we fear
ik verschiet
jij verschiet
wij verschieten
» meer vervoegingen van verschieten
aanhikken
opkijken
I fear
you fear
we fear
ik zie op
jij ziet op
wij zien op
» meer vervoegingen van opzien
Voorbeelden in zinsverband
That boy showed no fear.
Die jongen toonde geen angst.
There is nothing to fear.
Er is niks om bang voor te zijn.
She tried in vain to conceal her fear.
Ze probeerde haar angst tevergeefs te verbergen.
Do not fear the unexpected, but be prepared for it.
Vrees niet het onverwachte, maar wees erop voorbereid.
I fear this work will take up most of my time.
Ik vrees dat dit werk het meeste van mijn tijd zal opeisen.
I didn't tell him the truth for fear he would get angry.
Ik heb hem niet de waarheid verteld, omdat ik bang was dat hij boos zou worden.