Betekenis van:
frost

frost
Zelfstandig naamwoord
  • witte aanslag van ijskristallen op het gras enz.
  • ice crystals forming a white deposit (especially on objects outside)

Synoniemen

Hyperoniemen

frost
Zelfstandig naamwoord
  • kou (als) bij vriezend weer
  • weather cold enough to cause freezing

Synoniemen

Hyperoniemen

frost
Zelfstandig naamwoord
  • onwil zich bij iets te laten betrekken
  • weather cold enough to cause freezing

Synoniemen

Hyperoniemen

frost
Zelfstandig naamwoord
  • vriezend weer
  • weather cold enough to cause freezing

Synoniemen

Hyperoniemen

frost
Zelfstandig naamwoord
  • vriezend weer
  • weather cold enough to cause freezing

Synoniemen

Hyperoniemen

frost
Zelfstandig naamwoord
    • United States poet famous for his lyrical poems on country life in New England (1874-1963)

    Synoniemen

    frost
    Zelfstandig naamwoord
      • the formation of frost or ice on a surface

      Synoniemen

      Hyperoniemen

      frost
      Zelfstandig naamwoord
      • vorstperiode
      • weather cold enough to cause freezing

      Synoniemen

      Hyperoniemen

      to frost
      Werkwoord
      • matteren, matten
      • decorate with frosting
      "frost a cake"

      Synoniemen

      Hyperoniemen

      to frost
      Werkwoord
        • damage by frost
        "The icy precipitation frosted the flowers and they turned brown"

        Hyperoniemen

        to frost
        Werkwoord
          • provide with a rough or speckled surface or appearance
          "frost the glass"
          "she frosts her hair"

          Hyperoniemen

          to frost
          Werkwoord
            • cover with frost
            "ice crystals frosted the glass"

            Hyperoniemen

            to frost
            Werkwoord
            • verscherpen
            • decorate with frosting
            "frost a cake"

            Synoniemen

            Hyperoniemen