Betekenis van:
period

period
Zelfstandig naamwoord
  • door een gedenkwaardige gebeurtenis of reeks van gebeurtenissen gekenmerkt tijdvak
  • a unit of geological time during which a system of rocks formed
"ganoid fishes swarmed during the earlier geological periods"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

period
Zelfstandig naamwoord
  • als eenheid beschouwde, begrensde tijd
  • a unit of geological time during which a system of rocks formed
"ganoid fishes swarmed during the earlier geological periods"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

period
Zelfstandig naamwoord
  • leesteken zoals aan het eind v.e. zin
  • a punctuation mark (.) placed at the end of a declarative sentence to indicate a full stop or after abbreviations
"in England they call a period a stop"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

period
Zelfstandig naamwoord
  • vaginaal bloeden
  • the monthly discharge of blood from the uterus of nonpregnant women from puberty to menopause

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

period
Zelfstandig naamwoord
    • the end or completion of something
    "death put a period to his endeavors"
    "a change soon put a period to my tranquility"

    Hyperoniemen

    period
    Zelfstandig naamwoord
      • (ice hockey) one of three divisions into which play is divided in hockey games

      Hyperoniemen

      period
      Zelfstandig naamwoord
        • the interval taken to complete one cycle of a regularly repeating phenomenon

        Hyperoniemen

        Hyponiemen

        period
        Zelfstandig naamwoord
        • menstruatie, maandbloeding, maandstonden, menses, ongesteldheid
        • the monthly discharge of blood from the uterus of nonpregnant women from puberty to menopause

        Synoniemen

        Hyperoniemen

        Hyponiemen