Betekenis van:
lash

lash
Zelfstandig naamwoord
  • open schoeisel
  • leather strip that forms the flexible part of a whip

Synoniemen

Hyperoniemen

lash
Zelfstandig naamwoord
  • spierscheur in de kuit
  • a quick blow delivered with a whip or whiplike object

Synoniemen

Hyperoniemen

lash
Zelfstandig naamwoord
  • slag met een zweep, touw enz.
  • a quick blow delivered with a whip or whiplike object

Synoniemen

Hyperoniemen

lash
Zelfstandig naamwoord
  • voorzitter v.e. fractie; voorzitter v.e. fractie in het parlement
  • a quick blow delivered with a whip or whiplike object

Synoniemen

Hyperoniemen

lash
Zelfstandig naamwoord
  • stukje leer of rubber
  • leather strip that forms the flexible part of a whip

Synoniemen

Hyperoniemen

lash
Zelfstandig naamwoord
  • orde in de partij
  • a quick blow delivered with a whip or whiplike object

Synoniemen

Hyperoniemen

lash
Zelfstandig naamwoord
  • geselslag
  • a quick blow delivered with a whip or whiplike object

Synoniemen

Hyperoniemen

lash
Zelfstandig naamwoord
  • wimper, ooghaar, oogwimper, pinkhaar
  • any of the short curved hairs that grow from the edges of the eyelids

Synoniemen

Hyperoniemen

to lash
Werkwoord
    • bind with a rope, chain, or cord
    "lash the horse"

    Hyperoniemen

    Hyponiemen

    to lash
    Werkwoord
      • lash or flick about sharply
      "The lion lashed its tail"

      Hyperoniemen

      to lash
      Werkwoord
      • zwiepen
      • strike as if by whipping

      Synoniemen

      Hyperoniemen

      Hyponiemen

      to lash
      Werkwoord
      • striemen
      • strike as if by whipping

      Synoniemen

      Hyperoniemen

      Hyponiemen

      to lash
      Werkwoord
        • beat severely with a whip or rod

        Synoniemen

        Hyperoniemen

        Hyponiemen