Betekenis van:
mend

mend
Zelfstandig naamwoord
  • stopsel in weefsel of breiwerk
  • sewing that repairs a worn or torn hole (especially in a garment)
"her stockings had several mends"

Synoniemen

Hyperoniemen

mend
Zelfstandig naamwoord
  • het opnieuw instellen van iets
  • the act of putting something in working order again

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

mend
Zelfstandig naamwoord
  • het herstellen van storingen; reparatiewerk
  • the act of putting something in working order again

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

mend
Zelfstandig naamwoord
  • lapwerk
  • the act of putting something in working order again

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

mend
Zelfstandig naamwoord
  • stopwerk
  • the act of putting something in working order again

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

to mend
Werkwoord
  • (kleren, schoenen) repareren
  • restore by replacing a part or putting together what is torn or broken

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

to mend
Werkwoord
  • een visnet mazen
  • restore by replacing a part or putting together what is torn or broken

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

to mend
Werkwoord
  • sleutelen
  • restore by replacing a part or putting together what is torn or broken

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

to mend
Werkwoord
  • er bovenop komen; herstellen; repareren; wat stuk is repareren
  • restore by replacing a part or putting together what is torn or broken

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

to mend
Werkwoord
  • (een verstoorde verhouding) herstellen
  • restore by replacing a part or putting together what is torn or broken

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

to mend
Werkwoord
  • helen, genezen
  • heal or recover
"My broken leg is mending"

Synoniemen

Hyperoniemen

to mend
Werkwoord
  • oplappen, opknappen, opkalefateren
  • restore by replacing a part or putting together what is torn or broken

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen