Betekenis van:
stitch

stitch
Zelfstandig naamwoord
  • doorgehaalde draad bij allerlei handwerken
  • a link or loop or knot made by an implement in knitting, crocheting, embroidery, or sewing

Hyperoniemen

Hyponiemen

stitch
Zelfstandig naamwoord
  • opening in net
  • a link or loop or knot made by an implement in knitting, crocheting, embroidery, or sewing

Hyperoniemen

Hyponiemen

stitch
Zelfstandig naamwoord
    • a sharp spasm of pain in the side resulting from running

    Hyperoniemen

    to stitch
    Werkwoord
    • naaiend bergen
    • fasten by sewing; do needlework

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    Hyponiemen

    to stitch
    Werkwoord
    • (iets) zodanig naaien dat elke volgende steek telkens door de opening van de voorgaande wordt gehaald
    • fasten by sewing; do needlework

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    Hyponiemen

    to stitch
    Werkwoord
    • door naaien kleiner maken
    • fasten by sewing; do needlework

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    Hyponiemen

    to stitch
    Werkwoord
    • vastnaaien
    • fasten by sewing; do needlework

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    Hyponiemen

    to stitch
    Werkwoord
    • bestikken
    • fasten by sewing; do needlework

    Synoniemen

    Hyperoniemen

    Hyponiemen