Betekenis van:
afscheiden

afscheiden
Werkwoord
  • (een stof) afzonderen uit het orgaan waarin ze is gevormd
"melk afscheiden"
"slijm afscheiden"

Hyperoniemen

Hyponiemen

afscheiden
Werkwoord
  • afzonderen, uit de aanwezigheid van iets verwijderen
"De waterige laag werd in een scheitrechter afgescheiden van de olie."
afscheiden
Werkwoord
  • een stof voortbrengen en afgeven aan de omgeving
"Dit feromoon wordt afgescheiden door het wijfje van de mot en zelfs in uiterst kleine hoeveelheden al opgemerkt door het mannetje."
afscheiden
Werkwoord
  • ''zich ~'': een apart (kerk)genootschap gaan vormen
"Deze kerk heeft zich in de vorige eeuw 'afgescheiden."
afscheiden
Werkwoord
  • (een ruimte) van een aangrenzende ruimte afscheiden
"een tuin afscheiden van een andere tuin"
"van de weg afgescheiden zijn"

Synoniemen

Hyperoniemen