Betekenis van:
alleen

alleen
Bijvoeglijk naamwoord
  • zonder anderen
"ik heb de tv helemaal alleen gerepareerd"
"een ongeluk komt zelden alleen"

Synoniemen

alleen
Bijvoeglijk naamwoord
  • zonder gezelschap
"Laat mij alleen met al mijn verdriet."
alleen
Bijvoeglijk naamwoord
  • zonder hulp of medewerking
"Ik heb helemaal alleen mijn veters gestrikt!"
alleen
Bijvoeglijk naamwoord
  • zich beperkend tot iets
"Ik heb alleen de woonkamer gestofzuigd."
alleen
Zelfstandig naamwoord
  • een organische verbinding met twee belendende dubbele bindingen
"1=Propadieen (H2C=C=CH2) is het eenvoudigste alleen."
alleen
Bijwoord
  • slechts

Synoniemen

alleen
Bijwoord
  • slechts - bijvoorbeeld "''Hij is niet alleen intelligent, hij is ook knap.''"
alleen
Bijwoord
  • met dit voorbehoud - bijvoorbeeld "''Deze maaltijd mag alleen in de magnetron bereid worden.''"