Betekenis van:
beer

beer (de ~ | meervoud beren)
Zelfstandig naamwoord
  • mannetjesvarken
"bij de beer doen"
"zo vet als een beer"

Hyperoniemen

beer (de ~ | meervoud beren)
Zelfstandig naamwoord
  • zwaar roofdier
"een beer van een kerel"
"een beer op sokken"

Hyperoniemen

Hyponiemen

beer
Zelfstandig naamwoord
  • een gemetselde dam in een vestinggracht die het water in de gracht scheidt van zout of sterk stromend water van de zee, meer of rivier waaraan de vesting gelegen is
"De beer werd voorzien van een spitse rand, de zgn. ezelsrug. met daarop monniken of poppen om het oversteken van de gracht praktisch onmogelijk te maken."
beer (de ~ | meervoud beren)
Zelfstandig naamwoord
  • schuldvorderaar; iemand die geld v.e. ander krijgt; schuldeiser
"de beren horen brommen"
"de beren brommen de eerste van elke maand"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

beer (de ~ | meervoud beren)
Zelfstandig naamwoord
  • opgave van geleverde goederen en/of diensten en van het bedrag dat ervoor betaald moet worden
"beren temmen"
"beren hebben"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

beer (de ~ | meervoud beren)
Zelfstandig naamwoord
  • schroefpers

Hyperoniemen

beer
Zelfstandig naamwoord
  • een groot viervoetig zoogdier uit de familie ''Ursidae'' van de roofdieren
beer
Zelfstandig naamwoord
  • een mannelijk varken
beer
Zelfstandig naamwoord
  • een mannelijke cavia
beer
Zelfstandig naamwoord
  • de inhoud van een aalput
beer (de ~ | meervoud beren)
Zelfstandig naamwoord
  • uitspringende schraagpijler bij muurwerk, om dit te verstevigen

Synoniemen

Hyperoniemen

beer (de ~ | meervoud beren)
Zelfstandig naamwoord
  • heiblok

Synoniemen

Hyperoniemen

beer (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • stoffen die via de darmen door mens of dier uitgescheiden worden

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

Werkwoord