Betekenis van:
pijler

pijler
Zelfstandig naamwoord
  • zuil, pilaar
"Dat zijn de pijlers waarop de brug komt te rusten."
pijler (de ~ | meervoud pijlers)
Zelfstandig naamwoord
  • zuil als ondersteuning v.e. brug, balk; ondersteunende pilaar
"de pijlers van een brug"
"de pijlers van [de economie]"

Synoniemen

Hyperoniemen

pijler
Zelfstandig naamwoord
  • datgene waarop iets berust

Synoniemen

Hyperoniemen