Betekenis van:
grond

grond (de ~ | meervoud gronden)
Zelfstandig naamwoord
  • korrelige stof v.h. aardoppervlak; donkere grond waarin gewassen groeien
"[schrale/(on)vruchtbare] grond"
"gewijde grond"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

grond
Zelfstandig naamwoord
  • een bepaald stuk van het aardoppervlak
"De projectontwikkelaar heeft die grond gekocht om huizen op te bouwen."
grond
Zelfstandig naamwoord
  • de stof van het aardoppervlak waarop planten en bomen groeien
"De jongen zat de hele dag met zijn handen in de grond."
grond
Zelfstandig naamwoord
  • het aardoppervlak in algemene zin
"Na een lange vliegreis stonden we eindelijk weer op de grond."
grond
Zelfstandig naamwoord
  • de reden of basis van gedrag, houding of standpunt
"Op welke grond heb je dat gedaan?"
grond
Zelfstandig naamwoord
  • zeebodem.
"Het schip was aan de grond gelopen."
grond (de ~ | meervoud gronden)
Zelfstandig naamwoord
  • datgene waarop iets berust
"alle gronden missen"
"er zit een grond van waarheid in"

Synoniemen

Hyperoniemen

grond
Zelfstandig naamwoord
  • het voornaamste deel van een geheel
"In de grond is dit een geval van corruptie"

Synoniemen

Hyperoniemen

grond (de ~ | meervoud gronden)
Zelfstandig naamwoord
  • buitenkant v.d. aardbol; buitenkant v.d. aardbol; grond; vast aardoppervlak
"te gronde gaan"
"onder de grond liggen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

grond
Zelfstandig naamwoord
  • beweegreden
"De gronden van de ziel"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

Werkwoord