Betekenis van:
helemaal

helemaal
Bijwoord
  • in z'n geheel
"Hij was helemaal nat geworden."

Voorbeeldzinnen

  1. Je hebt helemaal gelijk.
  2. Hij heeft helemaal gelijk.
  3. Hij was helemaal bezweet.
  4. Ik wil helemaal geen melk.
  5. Hij kan helemaal geen Frans.
  6. Ik ben helemaal niet moe.
  7. Ik ben helemaal niet moe.
  8. Eet je spinazie helemaal op.
  9. Ik begreep het bijna helemaal!
  10. Hij kijkt helemaal geen TV.
  11. Eet je spinazie helemaal op.
  12. "Ben je moe?" "Nee, helemaal niet."
  13. Ik vind die combinatie helemaal geweldig.
  14. Vandaag is er helemaal geen wind.
  15. Een leven zonder liefde heeft helemaal geen zin.