Betekenis van:
hengel

hengel (de ~ | meervoud hengels)
Zelfstandig naamwoord
  • lange stok om mee te vissen
"de hengel uitgooien/uitwerpen"

Hyperoniemen

hengel (de ~ | meervoud hengels)
Zelfstandig naamwoord
  • op een vishengel lijkend toestel
"als je het A-diploma wilde halen moest je aan de hengel"

Hyperoniemen

hengel
Zelfstandig naamwoord
  • stok of buis waarmee een visdraad kan worden geworpen en boven het wateropervlak kan gehouden worden
hengel
Zelfstandig naamwoord
  • stok of buis waarmee een microfoon op de optimale plaats kan gehouden worden

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. BB Hengel
  2. RR Hengel/reel
  3. Hengel en vislijn (vaartuigen die met de hengel vissen) 
  4. Tonijnvisserij met de hengel (vaartuigen)
  5. Hengel en vislijn (vaartuigen die met de hengel vissen)
  6. Hengel en vislijn (vaartuigen die met de hengel vissen)
  7. vaartuigen voor de visserij met de hengel:
  8. vaartuigen voor de tonijnvisserij met de hengel:
  9. visserij met de hengel en met de drijvende beug:
  10. 20 % van zijn actieve met de hengel vissende vaartuigen;
  11. Een voorbeeld is het aas dat gebruikt wordt voor de tonijnvisserij met de hengel.
  12. in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan wordt gevangen door met de hengel vissende vaartuigen en sleepvaartuigen;
  13. of op alle door vaartuigen die met de hengel vissen aangevoerde blauwvintonijn in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan een correct staartmerk is aangebracht.
  14. in de Middellandse Zee wordt gevangen in het kader van de ambachtelijke kustvisserij op verse vis door vaartuigen die met de hengel, de beug en de handlijn vissen.
  15. Lidstaten waarvan de sleepvaartuigen en de met de hengel, de beug en de handlijn vissende vaartuigen op blauwvintonijn mogen vissen, stellen de volgende eisen inzake het staartmerk vast: