Betekenis van:
ingang

ingang (de ~ | meervoud ingangen)
Zelfstandig naamwoord
  • toegang tot een gebouw; plaats van ingang; entreemogelijkheid
"gerede ingang vinden"
"de ingang [blokkeren/versperren]"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

ingang (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • tijd waarop iets begint
"met onmiddellijke ingang"
"met ingang van..."

Hyperoniemen

ingang (de ~ | meervoud ingangen)
Zelfstandig naamwoord
  • trefwoord v.e. woordenboekartikel; woord waaronder een artikel staat
"onder een ingang zoeken"

Synoniemen

Hyperoniemen

ingang
Zelfstandig naamwoord
  • contactpersoon

Hyperoniemen

ingang
Zelfstandig naamwoord
  • een trefwoord dat te vinden is in een woordenboek
ingang
Zelfstandig naamwoord
  • een opening waar iets doorheen kan

Voorbeeldzinnen

  1. DVI-ingang,
  2. een audio-ingang;
  3. Datum van ingang
  4. Gemiddelde luchttemperatuur ingang drooginstallatie
  5. met ingang van …
  6. één aanlsuiting voor audio-ingang;
  7. Met ingang van 1 juli 2005:
  8. „[…] met ingang van 12 mei 2010 […]”,
  9. „[…] met ingang van 11 juni 2010 […]”.
  10. Noordelijke grens: noordelijke ingang tot het Suezkanaal.
  11. Met ingang van 20 oktober 2007:
  12. Met ingang van 1 april 2012:
  13. Met ingang van 1 juli 2006:
  14. De betrokkene is arbeidsongeschikt bevonden met ingang
  15. Opgeschort met ingang van 5 mei 2010.”