Betekenis van:
tijdstip

tijdstip (het ~ | meervoud tijdstippen)
Zelfstandig naamwoord
  • bepaald moment; ogenblik; tijdstip; tijdstip; tijdstip; tijdstip
"op een tijdstip"
"(op) een later/vroeger/eerder tijdstip"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

tijdstip
Zelfstandig naamwoord
  • een punt in de tijd
"Op dat tijdstip lag ik nog lekker te slapen."