Betekenis van:
ogenblik
ogenblik
Zelfstandig naamwoord
- moment, een bepaald tijdstip
Voorbeeldzinnen
- Voor het ogenblik ben ik op dieet.
- Ik heb niet genoeg geld voor het ogenblik.
- Dat is al wat ik op dit ogenblik kan zeggen.
- Zeg mij wat ge op dat ogenblik gezien hebt.
- Is het terrein op dit ogenblik openbaar of particulier eigendom?
- Op dat ogenblik worden de volgende biometrische kenmerken verzameld:
- Vanaf dit ogenblik is de deelname van de Gemeenschap niet langer nodig of gewettigd.
- Het is van groot belang dat informatie op het juiste ogenblik wordt verstrekt.
- Op dit ogenblik verzamelen INGE-stations gegevens in Noord- en Zuid-Amerika, Europa, Azië en Oceanië.
- hij moet alle landbouwactiviteiten definitief beëindigen op het ogenblik waarop het bedrijf wordt overgedragen,
- Deze amendementen treden in werking op het ogenblik van hun aanneming.
- De tijdelijke functionarissen in actieve dienst staan op ieder ogenblik ter beschikking van het Agentschap.
- Op het ogenblik van de botsing moet het voertuig vrij rijden.
- Op dit ogenblik bestaan er geen technisch en economisch haalbare alternatieven voor dergelijke toepassingen.
- Op dat ogenblik wordt het plakband met een constante snelheid van 1,5 ± 0,2 m/s losgetrokken.