Betekenis van:
ogenblik

ogenblik (het ~ | meervoud ogenblikken)
Zelfstandig naamwoord
  • bepaald moment; ogenblik; tijdstip; tijdstip; tijdstip; tijdstip
"op het ogenblik"
"ieder/elk ogenblik"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

ogenblik
Zelfstandig naamwoord
  • moment, een bepaald tijdstip

Voorbeeldzinnen

  1. Voor het ogenblik ben ik op dieet.
  2. Ik heb niet genoeg geld voor het ogenblik.
  3. Dat is al wat ik op dit ogenblik kan zeggen.
  4. Zeg mij wat ge op dat ogenblik gezien hebt.
  5. Is het terrein op dit ogenblik openbaar of particulier eigendom?
  6. Op dat ogenblik worden de volgende biometrische kenmerken verzameld:
  7. Vanaf dit ogenblik is de deelname van de Gemeenschap niet langer nodig of gewettigd.
  8. Het is van groot belang dat informatie op het juiste ogenblik wordt verstrekt.
  9. Op dit ogenblik verzamelen INGE-stations gegevens in Noord- en Zuid-Amerika, Europa, Azië en Oceanië.
  10. hij moet alle landbouwactiviteiten definitief beëindigen op het ogenblik waarop het bedrijf wordt overgedragen,
  11. Deze amendementen treden in werking op het ogenblik van hun aanneming.
  12. De tijdelijke functionarissen in actieve dienst staan op ieder ogenblik ter beschikking van het Agentschap.
  13. Op het ogenblik van de botsing moet het voertuig vrij rijden.
  14. Op dit ogenblik bestaan er geen technisch en economisch haalbare alternatieven voor dergelijke toepassingen.
  15. Op dat ogenblik wordt het plakband met een constante snelheid van 1,5 ± 0,2 m/s losgetrokken.