Betekenis van:
tijd

tijd (de ~ | meervoud tijden)
Zelfstandig naamwoord
  • eigenschap van werkwoordsvormen; werkwoordstijd
"hulpwerkwoord van tijd"
"een woord staat in de [verleden] tijd"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

tijd (de ~ | meervoud tijden)
Zelfstandig naamwoord
  • aaneenschakeling van momenten
"waar blijft de tijd?"
"de tijd zal het leren"

Hyperoniemen

Hyponiemen

tijd (de ~ | meervoud tijden)
Zelfstandig naamwoord
  • als eenheid beschouwde, begrensde tijd
"de tijd om [op haring te vissen]"
"in tijden van [oorlog/honger]"

Synoniemen

Hyperoniemen

tijd (de ~ | meervoud tijden)
Zelfstandig naamwoord
  • bepaald moment; ogenblik; tijdstip; tijdstip; tijdstip; tijdstip
"op gezette tijden"
"bij tijd en wijle"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

tijd
Zelfstandig naamwoord
  • tijd waarop bepaalde verschijnselen optreden of bepaalde werkzaamheden verricht worden

Hyperoniemen

Hyponiemen

Werkwoord