Betekenis van:
kaak

kaak (de ~ | meervoud kaken)
Zelfstandig naamwoord
  • deel v.d. schedel rond de mondholte
"zijn kaken op elkaar houden"
"kaken op elkaar!"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

kaak (de ~ | meervoud kaken)
Zelfstandig naamwoord
  • deel v.h. gezicht over het kaakbeen
"met rode kaken"
"met beschaamde kaken"

Hyperoniemen

kaak
Zelfstandig naamwoord
  • het beendergestel dat de mondholte omsluit en waarin de tanden en kiezen geplaatst zijn
"De dode dolfijn had een geboren afwijking en een gebroken kaak."
kaak
Zelfstandig naamwoord
  • een wang
"Hij gaf haar een kus op de kaken."
kaak (de ~ | meervoud kaken)
Zelfstandig naamwoord
  • historisch strafwerktuig; Middeleeuws strafwerktuig
"iets/iemand aan de kaak stellen"

Synoniemen

Hyperoniemen

kaak
Zelfstandig naamwoord
  • een houten of stenen podest, waarop de te straffen misdadigers tentoon werden gesteld
kaak
Zelfstandig naamwoord
  • hard meelgebak
kaak (de ~ | meervoud kaken)
Zelfstandig naamwoord
  • ademhalingsorgaan v.e. vis; kieuw v.e. vis

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord