Betekenis van:
kapot
kapot
Bijvoeglijk naamwoord
- erg onder de indruk
"kapot zijn van iets"
"ergens niet kapot van zijn"
Hyperoniemen
kapot
Bijvoeglijk naamwoord
- gebroken (van glas, porselein enz.)
"Tja, als je dat glas laat vallen is het kapot."
kapot
Bijvoeglijk naamwoord
- niet meer goed functionerend
"Mijn computer is kapot."
kapot
Bijvoeglijk naamwoord
- erg verdrietig of geschokt
"Ik was er kapot van."
kapot
Bijvoeglijk naamwoord
- doodmoe
"kapot zijn"
"(iets) kapot (laten) vallen"
Synoniemen
- afgebrand
- afgedraaid
- afgemat
- afgepeigerd
- bekaf
- doodmoe
- doodop
- doodvermoeid
- geradbraakt
- hondsmoe
- knock-out
- leeg
- opgebrand
- pompaf
- total loss
- uitgeblust
- uitgekakt
- uitgepoept
- uitgescheten
- uitgeteld
- uitgeput
- gebroken
- op
Hyperoniemen
kapot
Bijvoeglijk naamwoord
- erg moe
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Deze klok is kapot.
- Deze oude auto gaat constant kapot.
- Het lijkt erop dat mijn Xbox 360 kapot is.
- Ik heb een nieuwe bezem nodig. Deze is kapot.
- Volgens mij zijn ze kapot.
- Dit is het raam dat kapot gemaakt werd door de jongen.
- de duurzame onderdelen die bij herhaald gebruik na de garantieperiode geneigd zijn te verslijten of kapot te gaan, moeten kunnen worden vervangen of gerepareerd door een erkende of gespecialiseerde aftersales-service in de Europese Unie.