Betekenis van:
keer

keer
Zelfstandig naamwoord
  • telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
"Die fout maak je elke keer."
keer (de ~ | meervoud keren)
Zelfstandig naamwoord
  • keer; moment dat iets gebeurt
"binnen de kortste keren"
"eens moet de eerste keer zijn"

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Ik lees de brief keer op keer
  2. Tot de volgende keer.
  3. Je blijft keer op keer dezelfde fouten maken.
  4. Gedane zaken nemen geen keer.
  5. Ik moet twee keer overstappen.
  6. Laat het me één keer zeggen.
  7. Hij verdient twee keer zoveel als ik.
  8. Er is altijd een volgende keer.
  9. Je bent tien keer zwaarder dan ik.
  10. Deze keer zal ik het proberen.
  11. De volgende keer doe ik het zelf.
  12. Hoeveel keer ben je in Europa geweest?
  13. Dit keer is Parijs mijn doel.
  14. Hij verdient drie keer zoveel als ik.
  15. Er is altijd een volgende keer.