Betekenis van:
keer
keer
Zelfstandig naamwoord
- telkens terugkerend tijdstip waarop iets gebeurt
"Die fout maak je elke keer."
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Ik lees de brief keer op keer
- Tot de volgende keer.
- Je blijft keer op keer dezelfde fouten maken.
- Gedane zaken nemen geen keer.
- Ik moet twee keer overstappen.
- Laat het me één keer zeggen.
- Hij verdient twee keer zoveel als ik.
- Er is altijd een volgende keer.
- Je bent tien keer zwaarder dan ik.
- Deze keer zal ik het proberen.
- De volgende keer doe ik het zelf.
- Hoeveel keer ben je in Europa geweest?
- Dit keer is Parijs mijn doel.
- Hij verdient drie keer zoveel als ik.
- Er is altijd een volgende keer.