Betekenis van:
kroon
kroon (de ~ | meervoud kronen)
Zelfstandig naamwoord
- hoofdsieraad van vorsten
"dat spant de kroon"
"iemand naar de kroon steken"
Hyperoniemen
Kroon
Zelfstandig naamwoord
- de vorst als regeerder en als vertegenwoordiger van het rijk
Hyperoniemen
kroon
Zelfstandig naamwoord
- hoofddeksel dat door een vorst gedragen wordt
kroon
Zelfstandig naamwoord
- de munteenheid van o.a. Noorwegen en Zweden
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- Tsjechische kroon
- Beschaduwing van de kroon
- „= 15,6466 Estlandse kroon”.
- bovenstam (binnen de kroon)
- Bovenste deel van de kroon
- Onderste deel van de kroon
- Stamhoogte tot aan de kroon
- 1 top van de kroon
- 2 middendeel van de kroon
- 2 Onderste deel van de kroon
- mate van beschaduwing van de kroon,
- 1 Bovenste deel van de kroon
- 2 de kroon is slechts gedeeltelijk zichtbaar
- CZK Tsjechische kroon EEK Estse kroon GBP Pond sterling HUF Forint LTL Litas LVL Lats MTL Maltese lire PLN Zloty SEK Zweedse kroon SIT Tolar SKK
- Getroffen delen van de boom en positie in de kroon