Betekenis van:
mandaat

mandaat (het ~ | meervoud mandaten)
Zelfstandig naamwoord
  • (bewijs van) het machtigen; (tijdelijke) volmacht; afspraak dat iemand in jouw naam handelt
"iemand een mandaat geven/verlenen"
"het mandaat loopt af"

Synoniemen

Hyperoniemen

mandaat
Zelfstandig naamwoord
  • pauselijke verordening

Hyperoniemen

mandaat
Zelfstandig naamwoord
  • opdracht krachtens welke men een functie vervult

Hyperoniemen

Hyponiemen

mandaat
Zelfstandig naamwoord
  • schriftelijk bevel

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen


Voorbeeldzinnen

  1. Mandaat
  2. Institutioneel mandaat
  3. Duur van het mandaat
  4. Reikwijdte van het mandaat
  5. Mandaat en samenstelling
  6. Mandaat en bevoegdheden
  7. Uitvoering van het mandaat
  8. Luidens hun mandaat dienen NGG’s:
  9. op basis van zijn nieuwe mandaat;
  10. Artikel 4 Duur van het mandaat
  11. Mandaat M/253 van 14 september 1997.
  12. Het mandaat van een lid van het comité duurt drie jaar. Het mandaat kan worden hernieuwd.
  13. Een fabrikant kan via een schriftelijk mandaat een gemachtigde aanstellen.
  14. de heer Dirk VAN MECHELEN, Vlaams volksvertegenwoordiger (wijziging mandaat),
  15. de heer Jan BRONŚ, burgemeester van Oleśnica (wijziging mandaat),