Betekenis van:
mandaat
mandaat (het ~ | meervoud mandaten)
Zelfstandig naamwoord
- (bewijs van) het machtigen; (tijdelijke) volmacht; afspraak dat iemand in jouw naam handelt
"iemand een mandaat geven/verlenen"
"het mandaat loopt af"
Synoniemen
Hyperoniemen
mandaat
Zelfstandig naamwoord
- opdracht krachtens welke men een functie vervult
Hyperoniemen
Hyponiemen
mandaat
Zelfstandig naamwoord
- schriftelijk bevel
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Voorbeeldzinnen
- Mandaat
- Institutioneel mandaat
- Duur van het mandaat
- Reikwijdte van het mandaat
- Mandaat en samenstelling
- Mandaat en bevoegdheden
- Uitvoering van het mandaat
- Luidens hun mandaat dienen NGG’s:
- op basis van zijn nieuwe mandaat;
- Artikel 4 Duur van het mandaat
- Mandaat M/253 van 14 september 1997.
- Het mandaat van een lid van het comité duurt drie jaar. Het mandaat kan worden hernieuwd.
- Een fabrikant kan via een schriftelijk mandaat een gemachtigde aanstellen.
- de heer Dirk VAN MECHELEN, Vlaams volksvertegenwoordiger (wijziging mandaat),
- de heer Jan BRONŚ, burgemeester van Oleśnica (wijziging mandaat),