Betekenis van:
mondstuk

mondstuk (het ~ | meervoud mondstukken)
Zelfstandig naamwoord
  • deel v.e. blaasinstrument

Hyperoniemen

mondstuk
Zelfstandig naamwoord
  • spits toelopend einde van een voorwerp

Synoniemen

Hyperoniemen

mondstuk
Zelfstandig naamwoord
  • mondstuk voor paard

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

mondstuk
Zelfstandig naamwoord
  • kop met gaatjes op een vloeistofleiding

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen


Voorbeeldzinnen

  1. sluit het mondstuk aan op de koppeling en open de vuleenheid;
  2. De duurzaamheidstest wordt uitgevoerd met een mondstuk dat specifiek is bedoeld voor de te testen vuleenheid.
  3. verstuiving: cirkelvormig, met een diameter van 50 ± 5 mm op 200 ± 5 mm van het monster, mondstuk met een diameter van 5 ± 0,1 mm.
  4. NB 2:Met hoge snelheid wordt bedoeld een uitstroomsnelheid van het gas uit het mondstuk hoger dan 750 m/s bij 293 K (20 °C) en 0,1 MPa.
  5. Een tabaksrolletje als bedoeld in lid 1 wordt voor de toepassing van de accijns als twee sigaretten beschouwd wanneer het, zonder filter of mondstuk, meer dan 8 cm doch niet meer dan 11 cm lang is, en als drie sigaretten wanneer het, zonder filter of mondstuk, meer dan 11 cm doch niet meer dan 14 cm lang is, enzovoort.”.
  6. Met inachtneming van punt 5.1.3.2 is de vulopening van de benzinetank zodanig ontworpen dat de tank niet kan worden gevuld uit een benzinepomp waarvan de slang is voorzien van een mondstuk met een buitendiameter van 23,6 mm of meer.