Betekenis van:
nor

nor
Zelfstandig naamwoord
  • een gevangenis
"Hij zit al elf jaar in de nor."
nor (de ~ | meervoud norren)
Zelfstandig naamwoord
  • plaats voor gevangenen; (informeel) gevangenis; (informeel) gevangenis; gevangenis; ondergrondse ruimte; gevangenis; (informeel) gevangenis; (informeel) gevangenis; inrichting waar men als straf verblijft; gevangenis; (informeel) gevangenis; gevangenis; (informeel) gevangenis

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen