Betekenis van:
kast

kast (de ~ | meervoud kasten)
Zelfstandig naamwoord
  • stevig omhulsel; proces van ombouwen
"kastje kijken"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

kast (de ~ | meervoud kasten)
Zelfstandig naamwoord
  • meubelstuk dat dient als bewaarplaats
"iemand op de kast jagen"
"van het kastje naar de muur gestuurd worden"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

kast
Zelfstandig naamwoord
  • een groot gebouw
"In de kast zitten."
kast
Zelfstandig naamwoord
  • een meubel om gebruiksvoorwerpen in op te bergen, meestal voorzien van horizontale schappen
kast
Zelfstandig naamwoord
  • een televisietoestel (meestal als verkleinwoord: kastje)
kast
Zelfstandig naamwoord
  • gevangenis
kast
Zelfstandig naamwoord
  • bijenkorf; kast waarin tamme bijen wonen en honing en was verzamelen

Synoniemen

Hyperoniemen

kast
Zelfstandig naamwoord
  • plaats voor gevangenen; (informeel) gevangenis; (informeel) gevangenis; gevangenis; ondergrondse ruimte; gevangenis; (informeel) gevangenis; (informeel) gevangenis; inrichting waar men als straf verblijft; gevangenis; (informeel) gevangenis; gevangenis; (informeel) gevangenis

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

Werkwoord