Betekenis van:
pot

pot
Zelfstandig naamwoord
  • kan, glas
"Ze bewaart de jam in glazen potten"

Hyperoniemen

Hyponiemen

pot (de ~ | meervoud potten)
Zelfstandig naamwoord
  • stuk vaatwerk
"(het is daar) de dood in de pot"
"met de gebroken potten zitten"

Hyperoniemen

Hyponiemen

pot
Zelfstandig naamwoord
  • een cilindervormig voorwerp van glas of aardewerk
"Kun je mij de pot met jam aangeven?"
pot
Zelfstandig naamwoord
  • een vrouw die op vrouwen valt
"De buurvrouw is een pot, maar daar merk je verder niets van."
pot (de ~ | meervoud potten)
Zelfstandig naamwoord
  • plaats voor gevangenen; (informeel) gevangenis; (informeel) gevangenis; gevangenis; ondergrondse ruimte; gevangenis; (informeel) gevangenis; (informeel) gevangenis; inrichting waar men als straf verblijft; gevangenis; (informeel) gevangenis; gevangenis; (informeel) gevangenis
"in de pot (zitten)"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

pot (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • softdrug gemaakt v.d. hennepplant; hasj; drugs; drug van hennep; marihuana; marihuana
"pot roken/verbouwen"

Synoniemen

Hyperoniemen

pot (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • dat wat elk van de spelers bij een partij op het spel zet
"de pot verteren"
"pot voor meneer"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

pot (de ~ | meervoud potten)
Zelfstandig naamwoord
  • kleine ronde bak met handvat, om urine in op te vangen
"buiten je potje piesen"
"naast de pot pissen/piesen"

Synoniemen

Hyperoniemen

pot (de ~ | meervoud potten)
Zelfstandig naamwoord
  • lesbische vrouw; lesbische vrouw; lesbische vrouw

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord