Betekenis van:
plaag

plaag (de ~ | meervoud plagen)
Zelfstandig naamwoord
  • door God gezonden straf
"De tien plagen van Egypte."

Hyperoniemen

plaag (de ~ | meervoud plagen)
Zelfstandig naamwoord
  • explosieve toename van organismen
"een plaag bestrijden"
"een ware plaag"

Hyperoniemen

plaag
Zelfstandig naamwoord
  • een wijdverspreid ongemak of fysieke bedreiging veroorzaakt door een buitensporig optreden van organismen als insecten, bacteriën, knaagdieren enz
"Een dier dat in zijn land van herkomst een normaal deel van de natuur is, kan best ergens anders een plaag veroorzaken, zoals in Australië met de konijnen gebeurd is."
plaag (de ~ | meervoud plagen)
Zelfstandig naamwoord
  • iemand die anderen pest; plaaggeest; plaaggeest; iemand die zuigt; pestkop
"Wat ben jij een plaag!"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

plaag (de ~ | meervoud plagen)
Zelfstandig naamwoord
  • plaag; verschrikkelijke plaats; grote ramp; iets zeer vervelends; ellende

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord