Betekenis van:
plagen

plagen
Werkwoord
  • iemand lastigvallen
"Griekenland wordt geplaagd door grote financiële problemen."
plagen
Werkwoord
  • schertsend pesten
"graag plagen"
"iemand plagen met zijn grote neus"

Hyperoniemen

Hyponiemen

plagen
Werkwoord
  • vaak of langdurig pijn doen
"door hoofdpijn geplaagd worden"

Synoniemen

Hyperoniemen

plaag (de ~ | meervoud plagen)
Zelfstandig naamwoord
  • door God gezonden straf
"De tien plagen van Egypte."

Hyperoniemen

plaag (de ~ | meervoud plagen)
Zelfstandig naamwoord
  • iemand die anderen pest; plaaggeest; plaaggeest; iemand die zuigt; pestkop
"Wat ben jij een plaag!"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

plaag (de ~ | meervoud plagen)
Zelfstandig naamwoord
  • explosieve toename van organismen
"een plaag bestrijden"
"een ware plaag"

Hyperoniemen

plaag (de ~ | meervoud plagen)
Zelfstandig naamwoord
  • plaag; verschrikkelijke plaats; grote ramp; iets zeer vervelends; ellende

Synoniemen

Hyperoniemen