Betekenis van:
rook

rook
Zelfstandig naamwoord
  • een zichtbaar mengsel van gassen, dampen en fijne vaste deeltjes dat bij verbranding opstijgt
"De rook vloog door de wind recht mijn kant op."
rook (de ~)
Zelfstandig naamwoord
  • zichtbaar gasmengsel opstijgend van vuur
"er hangt een dichte rook"
"geen rook zonder vuur"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

rook
Zelfstandig naamwoord
  • berg hooi; berg hooi; berg hooi; bundel korenhalmen

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

rook
Werkwoord
  • verleden tijd enkelvoud van ruiken
rook
Werkwoord
  • verleden tijd enkelvoud van rieken

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Rook je?
  2. Ik rook noch drink.
  3. Ik rook niet.
  4. Moet je die rook zien.
  5. Waar rook is, is vuur.
  6. De kamer rook naar tabak.
  7. Waar rook is, is vuur
  8. Ik heb er een hekel als als mijn kleren naar rook stinken.
  9. Zichtbare rook
  10. Rook m—1
  11. Rook, gassen, dampen
  12. Rook (gecorrigeerde absorptiecoëfficiënt): … (m-1)
  13. Rook (gecorrigeerde absorptiecoëfficiënt): … (m-1)
  14. Personen ademen giftige rook in: 5 % (0,05).
  15. BEPALING VAN DE OPACITEIT VAN DE ROOK