Betekenis van:
roken

roken
Werkwoord
  • mbt. voedsel
"zalm roken"
"gerookte paling"

Hyperoniemen

roken
Werkwoord
  • rook afgeven
"de schoorsteen rookt"
"daarvan kan de schoorsteen niet roken!"

Hyperoniemen

roken
Werkwoord
  • rook afgeven
"Die schoorsteen rookt geweldig."
roken
Werkwoord
  • een genotsmiddel, voornamelijk tabak, nuttigen door het inhaleren van de rook ervan
"Hij kan het roken niet voor een dagje laten."
roken
Werkwoord
  • (m.b.t. rauwe vis of rauw vlees) conserveren door langdurige blootstelling aan rook.
"Hij at paling die lang had liggen roken."
roken
Werkwoord
  • roken; mbt. tabaksproducten; rokende verbruiken
"'veel'/'twee pakjes per dag' roken"
"sigaretten/sigaren/pijp roken"

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord