Betekenis van:
gebruiken

gebruiken
Werkwoord
  • zich bedienen van, toepassen
"Piet gebruikte een ladder om op het dak te komen."
gebruiken
Werkwoord
  • eten, nuttigen
"Op Goede Vrijdag mochten wij alleen brood en water gebruiken."
gebruiken
Werkwoord
  • (voedsel, drank) tot zich nemen
"de maaltijd gebruiken"
"die jongen gebruikt"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

gebruiken
Werkwoord
  • gebruiken voor een doel; gebruiken; gebruiken; benutten; gebruik maken van; hanteren
"een mixer gebruiken om eieren te kloppen"
"zijn verstand gebruiken"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

gebruik (het ~ | meervoud gebruiken)
Zelfstandig naamwoord
  • gebruikelijke wijze van doen
"de gebruiken naleven"
"het is een goed/oud gebruik dat..."

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

Werkwoord