Betekenis van:
snoer

snoer (het ~ | meervoud snoeren)
Zelfstandig naamwoord
  • koord
"iemand met een snoer wurgen"
"snoer zonder einde"

Hyperoniemen

snoer (het ~ | meervoud snoeren)
Zelfstandig naamwoord
  • elektriciteitsdraad
"het snoer van de televisie"

Hyperoniemen

Hyponiemen

snoer
Zelfstandig naamwoord
  • een lang, dun, flexibel voorwerp voor het geleiden van elektriciteit
"Zit er aan dat snoer al een stekker?"
snoer
Zelfstandig naamwoord
  • meetlint; meetlint; lint of snoer, verdeeld in centimeters en decimeters, waarmee gemeten wordt

Synoniemen

Hyperoniemen

snoer
Zelfstandig naamwoord
  • snoer met een of meer haken om vis te vangen

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Indien de DFE over een afzonderlijk netvoedingssnoer beschikt, moet de energie van uitsluitend de DFE gedurende vijf minuten worden gemeten, terwijl het apparaat in de klaarstand staat. Hierbij maakt het niet uit of het snoer en de controleapparatuur intern of extern zijn aangebracht.