Betekenis van:
stem

stem (de ~ | meervoud stemmen)
Zelfstandig naamwoord
  • voorkeur die men uitspreekt bij een stemming
"bij een meerderheid/minderheid van stemmen"
"een stem op [iemand]"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

stem
Zelfstandig naamwoord
  • het geluid dat door het trillen van de menslijke stembanden wordt geproduceerd
"De menselijke stem is uniek in de biologie."
stem
Zelfstandig naamwoord
  • een keuze gemaakt door een stemmer (kiezer) door middel van een stemming (verkiezing)
"De stem van de dertiende partijgenoot was beslissend voor de herverkiezing."
stem
Zelfstandig naamwoord
  • een van de partijen van een muziekstuk
"De eerste stem van een partituur is zeer gegeerd omwille van de solo’s."
stem
Zelfstandig naamwoord
  • zangpartij van een partituur

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

stem
Zelfstandig naamwoord
  • het trillen van de stembanden bij het uitspreken van bepaalde spraakklanken

Hyperoniemen

Hyponiemen

stem
Zelfstandig naamwoord
  • vermogen om te spreken; vermogen om te spreken; het vermogen om te spreken

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord


Voorbeeldzinnen

  1. Je stem deed me huilen.
  2. Stem van niets
  3. Ze spreekt tegen hem altijd met luide stem.
  4. ET „Stem-Tezdzhan Ali”
  5. Onthouding geldt niet als stem.
  6. De stem van de aandeelhouders
  7. Elke delegatie heeft één stem.
  8. ET „Stem-Tezdzhan Ali” ul.
  9. Thuja Occidentalis Stem Oil CAS-nr.
  10. De voorzitter heeft de beslissende stem.
  11. Elk lid of diens plaatsvervanger heeft één stem.
  12. De quaestoren zijn lid van het Bureau met raadgevende stem.
  13. In beide gevallen beschikt elke lidstaat over één stem.
  14. De leden brengen hun stem individueel en persoonlijk uit.
  15. Ieder lid van het Comité beschikt over één stem.