Betekenis van:
stuiten

stuiten
Werkwoord
  • terugspringen na met kracht tegen iets aangekomen te zijn
"stuiten tegen [een muur]"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

stuiten
Werkwoord
  • een beweging tot staan brengen
"De aanval werd door een katachtige duik van de doelman gestuit."
stuiten
Werkwoord
  • door botsing in omgekeerde richting gaan bewegen
"De bal stuitte tegen de muur."
stuit (de ~ | meervoud stuiten)
Zelfstandig naamwoord
  • onderste deel v.h. stuitbeen; beenderen v.d. staart; onderste stuk v.d. ruggengraat
"op je stuitje vallen"

Synoniemen

Hyperoniemen

Werkwoord