Betekenis van:
telefoon

telefoon (de ~ | meervoud telefoons)
Zelfstandig naamwoord
  • telefoongesprek
"er is telefoon voor u"
"een telefoontje plegen"

Hyperoniemen

Hyponiemen

telefoon (de ~ | meervoud telefoons)
Zelfstandig naamwoord
  • apparaat voor geluidsoverbrenging; apparaat voor telefoonverkeer
"de telefoon opnemen/neerleggen"
"aan de telefoon"

Synoniemen

Hyperoniemen

Hyponiemen

telefoon
Zelfstandig naamwoord
  • een toestel waarmee men geluid over kan brengen door middel van galvanische stroom
"We zochten naar een goede en goedkope telefoon."

Voorbeeldzinnen

  1. De telefoon rinkelde herhaaldelijk.
  2. Is er ergens een telefoon?
  3. Bell vond de telefoon uit.
  4. Neem de telefoon op, alsjeblieft.
  5. Tom schepte op over zijn nieuwe telefoon.
  6. Ik sprak met haar via de telefoon.
  7. De telefoon ging een paar keer over.
  8. Als de telefoon opnieuw gaat, wil ik hem negeren.
  9. De telefoon is uitgevonden door Bell in 1876 [achttien zesenzeventig].
  10. Ze stond op om de telefoon op te nemen.
  11. Hij stond op het punt weg te gaan toen de telefoon ging.
  12. "Wacht even," zei Dima, terwijl hij zijn telefoon tevoorschijn haalde, "ik weet iemand die me wel wat geld zou kunnen lenen."
  13. "Walakoem-oes-salaam, Al-Sayib!" antwoordde Dima, maar zette het geluid van zijn telefoon deze keer wat harder, om te voorkomen dat dit een dubbele zin zou worden. "Wat doe jij tegenwoordig?"
  14. Telefoon ***
  15. Telefoon +