Betekenis van:
vuil
vuil
Bijvoeglijk naamwoord
- niet schoon
vuil (het ~)
Zelfstandig naamwoord
- wat vuil, smerig is, niet meer gewenst
"het schuurtje ligt vol met vuil"
"met vuil gooien"
Synoniemen
Hyperoniemen
vuil (het ~)
Zelfstandig naamwoord
- afval van de huishouding
"het schuurtje ligt vol met vuil"
"voor oud vuil liggen"
Synoniemen
Hyperoniemen
Hyponiemen
vuil
Zelfstandig naamwoord
- viezigheid, onreine materie
Werkwoord
Voorbeeldzinnen
- De lucht in deze kamer is vuil.
- Mijn kleren waren vuil van de olie.
- Vuil (optioneel)
- vuil z ml (w theelepels)
- niet erg vuil x ml (y theelepels)
- Bij alle subtests moet hetzelfde vuil worden gebruikt.
- Het gehele eurobankbiljet is duidelijk met vuil besmeurd
- BESTANDHEID TEGEN HET INDRINGEN VAN WATER EN VUIL
- Al het vuil voor de hele test moet in één keer worden bereid.
- ramen en andere openingen moeten zo zijn geconstrueerd dat zich geen vuil kan ophopen.
- Het vuil dient homogeen te zijn en een gelijkmatige consistentie te hebben.
- De vulaansluiting of het recipiënt is beveiligd tegen verkeerd gebruik en beschermd tegen vuil en water.
- De vuleenheid moet tegen verdraaiing zijn geborgd en tegen vuil en water zijn beschermd.
- Al het vuil voor de hele test moet in één keer worden bereid.
- Het ontluchtingssysteem van de overdrukinrichting moet afdoend beschermd zijn tegen vuil en water.