Vertaling van geschickt

Inhoud:

Duits
Nederlands
geschickt {bn.}
bijdehand
anstellig, behende, fix, geschickt, geübt, gewandt {bn.}
bedreven 
behendig 
bekwaam 
handig 
vaardig
schicken, senden, einsenden {ww.}
sturen
opsturen
verzenden
opzenden
zenden
doen toekomen

ich habe geschickt
du hast geschickt
er/sie/es hat geschickt

ik heb gestuurd
jij hebt gestuurd
hij/zij/het heeft gestuurd
» meer vervoegingen van sturen

Kannst du das per E-Mail schicken?
Kun je dat per e-mail sturen?
Ich sagte ihnen, sie sollen mir ein neues Ticket schicken.
Ik heb ze gezegd dat ze me nog een ticket moeten opsturen.
abordnen, delegieren, entsenden, schicken {ww.}
delegeren
afvaardigen 

ich habe geschickt
du hast geschickt
er/sie/es hat geschickt

ik heb gedelegeerd
jij hebt gedelegeerd
hij/zij/het heeft gedelegeerd
» meer vervoegingen van delegeren

abschicken, entsenden, fortschicken, wegschicken, verschicken, schicken {ww.}
versturen
wegzenden
wegsturen 
verzenden
uitsturen
afzenden 

ich habe geschickt
du hast geschickt
er/sie/es hat geschickt

ik heb verstuurd
jij hebt verstuurd
hij/zij/het heeft verstuurd
» meer vervoegingen van versturen

Können Sie es nach New York schicken?
Kan je het naar New York versturen?


Voorbeelden in zinsverband

Duits
Nederlands

George hat mir eine Geburtstagskarte geschickt.

Georgo heeft mij een verjaardagskaart gestuurd.

Ich habe ihr eine Puppe geschickt.

Ik heb haar een pop gezonden.

Ich habe es dir vor zwei Tagen geschickt.

Ik heb het twee dagen geleden naar je toegestuurd.

Alle meine Freunde, denen ich eine Einladung geschickt hatte, sind zur Party gekommen.

Alle vrienden aan wie ik een uitnodiging gestuurd heb, zijn op het feest gekomen.

Ich habe gerade die Briefe nochmal gelesen, die du mir geschickt hast.

Ik was de brieven die je me gestuurd hebt aan het herlezen.