Vertaling van chip

Inhoud:

Engels
Nederlands
to chip, to chip off {ww.}
afbikken
bikken 

I chip
you chip
we chip

ik bik af
jij bikt af
wij bikken af
» meer vervoegingen van afbikken

to chip, to chip off {ww.}
afbikken
bikken 

I chip
you chip
we chip

ik bik af
jij bikt af
wij bikken af
» meer vervoegingen van afbikken

chip {zn.}
chip [m]
chip, microchip {zn.}
chip [m]
to chip {ww.}
stiften
to chip {ww.}
lepelen

I chip
you chip
we chip

ik lepel
jij lepelt
wij lepelen
» meer vervoegingen van lepelen

splinter, chip, sliver, shard [o] {zn.}
splinter
scherf
to break away, to break off, to chip, to chip off, to come off {ww.}
losbeitelen

I chip
you chip
we chip

ik beitel los
jij beitelt los
wij beitelen los
» meer vervoegingen van losbeitelen

to break off, to chip, to cut off, to knap {ww.}
afbreken

I chip
you chip
we chip

ik breek af
jij breekt af
wij breken af
» meer vervoegingen van afbreken

to break off, to chip, to cut off, to knap {ww.}
afslaan

I chip
you chip
we chip

ik sla af
jij slaat af
wij slaan af
» meer vervoegingen van afslaan

to break off, to chip, to cut off, to knap {ww.}
wegknippen
afknippen

I chip
you chip
we chip

ik knip weg
jij knipt weg
wij knippen weg
» meer vervoegingen van wegknippen

to break away, to break off, to chip, to chip off, to come off {ww.}
afbreken

I chip
you chip
we chip

ik breek af
jij breekt af
wij breken af
» meer vervoegingen van afbreken


Gerelateerd aan chip

chip off - microchip - splinter - sliver - shard - break away - break off - come off - cut off - knapkick - hit - chisel - loosen - separate - beat - remove - clip - scissor - fall off