Vertaling van doctor

Inhoud:

Engels
Nederlands
doctor, physician {zn.}
dokter [m]
arts  [m]
geneesheer [m]
medicus [m]
Call the doctor!
Roep de dokter!
She is a doctor.
Ze is dokter.
doctor {zn.}
doctor [m]
doctor, dr. {zn.}
doctor [m] (de ~)
gepromoveerde
to bushel, to doctor, to fix, to furbish up, to mend, to repair, to restore, to touch on {ww.}
lijmen

I doctor
you doctor
we doctor

ik lijm
jij lijmt
wij lijmen
» meer vervoegingen van lijmen

to bushel, to doctor, to fix, to furbish up, to mend, to repair, to restore, to touch on {ww.}
verstellen
lappen

I doctor
you doctor
we doctor

ik verstel
jij verstelt
wij verstellen
» meer vervoegingen van verstellen

to bushel, to doctor, to fix, to furbish up, to mend, to repair, to restore, to touch on {ww.}
oplappen
opknappen
opkalefateren

I doctor
you doctor
we doctor

ik lap op
jij lapt op
wij lappen op
» meer vervoegingen van oplappen

to bushel, to doctor, to fix, to furbish up, to mend, to repair, to restore, to touch on {ww.}
dokteren
vijlen

I doctor
you doctor
we doctor

ik dokter
jij doktert
wij dokteren
» meer vervoegingen van dokteren

to bushel, to doctor, to fix, to furbish up, to mend, to repair, to restore, to touch on {ww.}
repareren
herstellen
redresseren
maken

I doctor
you doctor
we doctor

ik repareer
jij repareert
wij repareren
» meer vervoegingen van repareren

I cannot fix the computer.
Ik kan de computer niet repareren.
I had my brother repair my bicycle.
Ik liet mijn broer mijn fiets repareren.
to bushel, to doctor, to fix, to furbish up, to mend, to repair, to restore, to touch on {ww.}
boeten

I doctor
you doctor
we doctor

ik boet
jij boet
wij boeten
» meer vervoegingen van boeten

doc, doctor, dr., md, medico, physician {zn.}
dokter [m] (de ~)
arts [m] (de ~)
geneeskundige [m] (de ~)
medicus [m] (de ~)
esculaap
heelmeester [m] (de ~)
geneesheer [m] (de ~)
pil [m] (de ~)
He's not a doctor.
Hij is geen dokter.
Thank you, Doctor.
Dank u wel, dokter.

Voorbeelden in zinsverband

Engels
Nederlands

Jim likes the doctor.

Jim houdt van de dokter.

Are you a doctor?

Bent u een dokter?

Call the doctor!

Roep de dokter!

I'm a doctor.

Ik ben arts.

I am a doctor.

Ik ben arts.

She is a doctor.

Ze is dokter.

He's not a doctor.

Hij is geen dokter.

Thank you, Doctor.

Dank u wel, dokter.

I'm going to the doctor.

Ik ga naar de dokter.

He is not a doctor.

Hij is geen dokter.

Thank you very much, doctor.

Heel erg bedankt, dokter.

He looked like a doctor.

Hij zag er uit als een dokter.

A doctor examined Mr. Brown.

Een dokter onderzocht meneer Brown.

The doctor examined the patients.

De dokter onderzocht de patiënten.

I have a stomachache, doctor.

Dokter, ik heb buikpijn.


Gerelateerd aan doctor

physician - dr. - bushel - fix - furbish up - mend - repair - restore - touch on - doc - md - medicoinitiate - recoup - bushel - ameliorate - process - expert