Vertaling van felt
I felt
you felt
he/she/it felt
ik tastte af
jij tastte af
hij/zij/het tastte af
» meer vervoegingen van aftasten
I felt
you felt
he/she/it felt
ik vond
jij vond
hij/zij/het vond
» meer vervoegingen van vinden
I felt
you felt
he/she/it felt
ik voelde
jij voelde
hij/zij/het voelde
» meer vervoegingen van voelen
I felt
you felt
he/she/it felt
ik voelde
jij voelde
hij/zij/het voelde
» meer vervoegingen van voelen
Voorbeelden in zinsverband
Tom felt very lonely.
Tom voelde zich erg eenzaam.
I felt lonely.
Ik voelde me alleen.
She felt her knees tremble.
Ze kon haar knieën voelen trillen.
He felt himself being lifted up.
Hij voelde dat hij opgetild werd.
Suddenly she felt tiny, worthless and miserable.
Plotseling voelde ze zich zeer klein, waardeloos en ellendig.
The air felt a little cold.
De lucht voelde een beetje koud aan.
Conchita felt guilty for ruining Tom and Mary's relationship.
Conchita voelde zich schuldig dat ze Toms en Mary's relatie had verpest.
When I woke up this morning, I felt sick.
Toen ik vanochtend wakker werd, voelde ik me ziek.
That child felt secure in his mother's arms.
Het kind voelde zich veilig in de armen van zijn moeder.